Achtergrond informatie Oei, ik groei!

Achtergrond informatie

Er is dertig jaar onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van baby’s en de reacties hierop van degene die voor de baby zorgt – meestal de moeder. Al het onderzoek is bij ouders thuis gedaan waarbij hun alledaagse bezigheden werden geobserveerd. In dit onderzoek zijn allerlei vragen gesteld en in gesprekken is daar dieper op ingegaan.

Ontdekt werd dat iedereen van tijd tot tijd een ‘moeilijke’ baby heeft. Sterker nog: normale, gezonde baby’s waren verrassend genoeg op dezelfde leeftijd huileriger, lastiger, veeleisender en hangeriger. Lees hier meer achtergrond informatie over Oei, ik groei!

Kortom, zo moeilijk dat zij hun moeder wanhopig konden maken. Na het onderzoek kon er tot bijna op de week nauwkeurig voorspeld worden wanneer een moeder weer zo’n moeilijke tijd te wachten zou staan. Ditzelfde vonden ook Engelse, Spaanse en Zweedse onderzoekers die moeders en hun kinderen hadden bestudeerd.

Groeispurts en groeisprongen

Waarom maken alle baby’s rond dezelfde tijd zo’n moeilijke periode door? Baby’s huilen niet voor niets. Het is een teken dat ze een ‘sprong’ maken. Hun ontwikkeling verandert plotseling drastisch. Dat is goed: het geeft ze de mogelijkheid om nieuwe dingen te leren. Het lastig zijn is dus eigenlijk een signaal dat er fantastische vooruitgang wordt geboekt. Net als de lichamelijke groeispurts die een kind kan maken, verloopt ook de verstandelijke ontwikkeling van kinderen met sprongen. Neurologisch onderzoek heeft aangetoond dat zulke sprongen gepaard gaan met veranderingen in de hersenen. Oei, ik groei! beschrijft de tien sprongen in de mentale ontwikkeling die iedere baby doormaakt in zijn eerste twintig levensmaanden. Het boek vertelt hoe een baby’s kijk op de wereld met iedere sprong verandert en hoe hij dit inzicht kan gebruiken om nieuwe vaardigheden te ontwikkelen, vaardigheden die hij nodig heeft voor zijn verdere ontwikkeling.

Een ‘af’ mini-mens

Na die eerste tien sprongen sluit je baby een belangrijke, voorbereidende periode in zijn leven af: de zogenaamde sensorimotorperiode. In zekere zin is hij dan al een ‘af’ mensje. Zijn zintuigen en bewegingsapparaat zijn op elkaar afgestemd. Hij kan rondstappen in, zich aanpassen aan en overleven in een omgeving waarin hij toevallig geboren is. Met twintig maanden is hij al aardig op weg zijn cultuur te imiteren en te leren kennen: de rollen, maniertjes, symbolen, gereedschappen, mythen en instituties. Daarbij spelen mimiek en pantomime een belangrijke rol. Dat is de basis van de taalontwikkeling. Met twintig maanden kunnen kinderen hun eerste zinnetjes gaan spreken (sommige kinderen beginnen daar al met zeventien maanden mee, direct nadat zij de laatste sprong hebben gemaakt). Dan zijn ze klaar om de in vele generaties verworven kennis en inzichten in zich op te zuigen door middel van taal.