DNA, genen en chromosomen

Het menselijk lichaam bestaat uit een groot aantal organen. Deze organen zijn opgebouwd uit verschillende weefsels, die weer bestaan uit miljarden cellen. Die cellen zorgen ervoor dat alles goed werkt.
De eerste cellen in een nog ongeboren kind groeien uit tot allerlei verschillende celsoorten. Tijdens deze ontwikkeling krijgen de cellen hun specifieke functie. Het worden bijvoorbeeld hersencellen, huidcellen of spiercellen.

Chromosomen

DNA, genen en chromosomen

Elke cel bevat een volledige kopie van het erfelijkheidsmateriaal van je ouders, in de vorm van chromosomen. Bij elke celdeling wordt namelijk een kopie gemaakt van al het erfelijkheidsmateriaal.

Chromosomen zijn de dragers van de genen. De chromosomen bevatten alle genetische informatie die nodig is voor het ontwikkelen, in stand houden en voortplanten van een individu.

Chromosomen zijn voor te stellen als lange strengen. Deze bestaan uit een stof die we DNA (desoxyribonucleïnezuur) noemen. Het DNA bevat de code waarin al onze erfelijke eigenschappen zijn vastgelegd.

Een

Een gen is een stukje afgebakend DNA dat de informatie bevat voor de vorming van een bepaald eiwit. Eiwitten gaan verbindingen aan met andere eiwitten, en hebben daardoor meerdere taken in het lichaam. Genen bepalen al onze erfelijke eigenschappen, bijvoorbeeld de kleur van ons haar en onze ogen. Verder zorgen de genen voor de overerving.

De wetenschap die de werking van de genen bestudeert en onderzoekt hoe eigenschappen worden overgedragen heet genetica of erfelijkheidsleer. De wetenschap die zich bezighoudt met de manier waarop het erfelijkheidsmateriaal van het lichaam werkt, heet genomics.

Bron: Op erfelijkheid.nl vind je betrouwbare informatie over erfelijkheid, erfelijke aandoeningen en genetisch onderzoek. Kijk voor meer informatie op www.erfelijkheid.nl