Taalcursus Arthurs

Taalcursus Arthurs

Dat iedereen zijn eigen persoonlijke taal spreekt, wist ik ergens wel, maar nu met Arthur dringt het pas echt door. Wat ik denk te horen, kan voor een ander iets heel anders betekenen.

Neem ‘mama’. Hij zegt het veel. Hij zal wel zijn moeder bedoelen. Een voor de hand liggende instinker. Mama is voor onze dreumes eerder iets spiritueels. Een gevoel. Hij kan het ook uitschreeuwen bij zijn moeder op schoot, terwijl hij naar iets anders wijst. Of hij zegt het tegen een willekeurige voorbijganger. Het is in ieder geval iets positiefs. Misschien te vergelijken met het ‘God’ of ‘Allah’ van gelovigen. Hij gebruikt het in ieder geval heel anders dan ‘papa’. Dat zegt hij heel sporadisch tegen mij. Een veel eendimensionaler woord.

Onze kat Roméo noemt hij méo, maar hij zegt het ook tegen andere poezen en tegen honden. Roméo is min of meer ‘viervoeter’ in zijn hoofd. Toch weet hij ook dat de enige echte Roméo niet zomaar een Méo is. Waarschijnlijk is hij net als mama de leider van een hele beweging.

Het woord dat hij nu, met veertien maanden, het meest gebruikt is ‘hallo’. Tegen alles en iedereen roept hij het. Zijn gebruik ervan is bijna zoals de meeste mensen het gebruiken, hij zegt het hooguit wat te vaak. Ook is het ’s ochtends geregeld het eerste wat we door de babyfoon horen. Zijn hallo is min of meer mijn hallo.

Bij auw ligt dit nog anders. Hij oefent er veel op. Vaak zegt hij het veel te blij, maar soms heeft hij de auw-snaar helemaal te pakken. Als hij zijn hoofd hard tegen de tafelrand stoot, bijvoorbeeld.

Nu wordt het dus gevaarlijk. Voor je het weet denk je elkaar te begrijpen. Dankzij Arthur zou ik juist beter moeten weten. Niemand spreekt dezelfde taal. Niet helemaal.